Afbeelding Ongezouten Rudolph van Veen

‘Wat ik moeilijk vind aan interviews’

Wanneer je werkt in het medialandschap dan ontkom je er niet aan. Eerlijk gezegd mag je juist blij zijn als je gevraagd wordt voor een interview. Het is namelijk een mooie kans om jouw verhaal bij een groot publiek onder de aandacht te brengen. Journalisten zijn doorgaans blij met mensen die een echte passie hebben en ongeremd enthousiast kunnen vertellen over hun onderwerp. Waar wringt dan de schoen, zou je denken?

Al op jonge leeftijd wilde ik kok worden omdat niets mij leuker leek dan lekker te werken in de keuken. Wat vond ik het magisch dat je door gewone ingrediënten te bewerken en te combineren van iets gewoons iets buitengewoons kon maken! Dat je van bouillon en room met een beetje boter en bloem een heerlijk fluweelachtige saus kon maken bijvoorbeeld. Het uiteindelijke doel was echter nooit de saus zelf, maar het plezier en genot dat deze saus zou kunnen geven aan anderen, mijn gasten. Als kok communiceer je feitelijk door middel van je gerechten, die spreken voor jou. Het feit dat er inmiddels dikwijls camera’s staan opgesteld in mijn keuken heeft mij in staat gesteld mijn liefde voor gastronomie met een veel groter publiek te kunnen delen dan ik ooit voor mogelijk had gehouden. En ja, dit heeft mijn manier van werken wel degelijk veranderd. Geleidelijk ben ik een ‘communicatie-chef’ geworden en is dienstbaarheid mijn hoogste goed. Het doel van mijn werk is niet meer primair het maken van een gerecht maar ook niet het maken van een t.v. programma of kook- of bakboek, dat zijn slechts de middelen. Het uiteindelijke doel van mijn werk is het bewerkstelligen van meer zelfvertrouwen bij mijn publiek. Bij alles wat ik doe, maak of presenteer hoop ik dat de kijker, toehoorder of lezer zal denken: Helder, dit kan ik zelf ook!

Terug naar het interview. Fijn dat een krant of magazine interesse heeft in een culinair verhaal. Daar werk ik graag aan mee! Maar ik merk dat ik het ook wel lastig vind dat ik geen controle heb over de uiteindelijke tekst en dat het soms moeilijk is om alles in de juiste context te houden. Een journalist heeft natuurlijk ook gewoon zijn of haar eigen schrijfstijl en kijk op de zaak, of wil een bepaalde richting op en misschien proberen sappige uitspraken te ontlokken. Tijdens zo’n vraaggesprek ben ik dus altijd extra alert. Bijvoorbeeld op het feit dat mijn zinnen zo min mogelijk met ‘ik’ beginnen, simpelweg omdat ik dat heel lelijk vind staan maar ook omdat ik vind dat het niet bij mij hoort. Wanneer ik vroeger als kind ooit zei: “Ik en mijn vriendje” corrigeerde mijn moeder mij steevast met de opmerking: “Ikke en stront voorop”, het kon maar duidelijk zijn! Op school leerde we toch ook dat je een brief nooit met ‘Ik’ mocht beginnen? Toch voel ik mij in dit opzicht één van de laatste der mohikanen. En verbaast het mij dagelijks hoeveel mailtjes, brieven maar ook teksten van mensen op websites doodleuk met ‘Ik’ beginnen….Bij mij blokkeert er dan iets waardoor ik eigenlijk niet meer verder wil lezen.

Inmiddels kunnen een behoorlijk aantal journalisten beamen dat ik voorafgaand aan het gesprek eerst die ene vraag stelde. Laat u mij alstublieft in uw tekst zo min mogelijk met ‘ik’ beginnen? En zeker niet aan het begin van een alinea en al helemaal niet in de kop? Op zo’n moment hoor ik soms een zucht door de telefoon of word ik vragend aangekeken. Tsja dat wordt lastig… we zullen proberen er een beetje rekening mee te houden.

Bij sommige publicaties mag je volgens afspraak de tekst voor plaatsing doorlezen en ‘op feitelijke onjuistheden’ aanpassen. Dan zeef ik er stiekem altijd nog een paar ‘ikjes’ uit. Simpelweg door in een zin een paar woorden van plaats te verwisselen. Dat kan best, zoals blijkt uit bovenstaande tekst, waarin niet één zin met ‘ik’ begint… Natuurlijk is ook dit een beetje overdreven van mij, maar het zet mijn punt wel even lekker duidelijk neer. Dus lees je ooit een artikeltje of interview met mij waarvan de kop, of de eerste zin met ik begint, weet dan dat IK dat zo nooit gezegd heb!